Op een dag stuurde Jakob zijn zoon Jozef naar zijn
broers die op de geiten en de schapen van de familie pasten op het platteland.
"Daar is de grote dromer," zeiden zijn broers toen Jozef aan kwam
lopen. Vlug bedachten ze een plan om voor altijd van hem af te zijn.
Toen Jozef er was, grepen zijn broers hem vast,
trokken zijn mooie jas uit en gooiden hem in een diepe put. Deze put was zo
diep, dat hij er nooit uit zou klimmen. "Laten we een kijken of zijn
dromen nu nog uitkomen," zeiden ze.
Kort daarna zagen de broers een paar rondreizende
handelaars aankomen en zeiden: "Laten we onze broers verkopen in plaats
van dat hij hier doodgaat." Ze haalden Jozef uit de put en verkochten hem
als slaaf aan de handelaars.
Op hun weg terug naar huis smeerden zij de mooie
jas van Jozef in met bloed van een geit. Toen ze het lieten zien aan Jakob was
hij ontroostbaar en zei: "Mijn arme zoon Jozef! Een wild beest heeft hem
vast opgegeten!"